MBTZ Logo

Stoom in de Zaanstreek

Van windkracht naar stoomkracht: Het ontstaan van stoomfabrieken in de Zaanstreek

Met Stoom Nr. 40 - December 2001

Deel 2 Naar deel 2

In 1851 schreef het departement Wormerveer van de maatschappij ter bevordering van de nijverheid een prijsvraag uit om een moddermolen (baggermolen) op windkracht te ontwerpen. Velen zullen hierin een bewijs zien van de behoudzucht van de Zaanse industriëlen. Niets is minder waar. Drie van de bestuursleden van het departement hadden toen reeds een stoomfabriek of waren in voorbereiding van de bouw van zo`n fabriek.
Het algemene beeld van de negentiende eeuw is dat van 'Jan Salie' en 'Oom Stastok'. De windmolen is daarin het symbool van romantisch conservatisme en de stoommachine is het symbool van de vooruitgang. Dit beeld blijkt niet te kloppen. Om deze bewering te staven zal ik wat uitvoerig op het ontstaan van de stoommachine in Engeland moeten ingaan.

  De Blauwe Hengst  
  De eerste stoomfabriek in de Zaanstreek bij blauwselmolen 'De Blauwe Hengst' in Westzaan.
Foto: Gemeente Archief Zaanstad
 

Door de eeuwen heeft de mens geprobeerd de spierkracht die nodig was om werktuigen in beweging te krijgen te vervangen door andere krachtbronnen. De manier die het meest voor de hand lag was gebruik te maken van dierkracht. Voorbeelden hiervan zijn rosmolens, ossenwagens en hondenkarren.

De mens leerde ook de elementen wind, water, vuur en aarde te temmen en ze zo voor de beweging van zijn werktuigen en voertuigen te gebruiken. Stromend water werd eerst gebruikt om via waterwielen werktuigen aan te drijven. Later werden turbine`s gebruikt om de energie van stromend water om te zetten.
De toepassing van windkracht beleefde waarschijnlijk zijn hoogtepunt in de achttiende en negentiende eeuw in het winderige Noord-Hollandse land.

Vuurmachines werden voor het eerst in Engeland in de achttiende eeuw op kleine schaal toegepast. Het duurde bijna drie kwart eeuw voor de vuurmachines, die later stoommachines werden genoemd, het gebruik van windkracht gingen verdringen.1

De eerste vuurmachines van Newcomen brachten pompen in beweging door de beweging van een zuiger in een cilinder. Deze zuiger kwam in beweging door afwisselend een vacuüm in een cilinder te maken, nadat deze eerst door condensatie met stoom was gevuld. De zuiger bracht via een zuigerstang en een balansarm een pompstang in beweging.

  Een vuurmachine of atmosferische stoommachine volgens Thomas Newcomen.
Tekening uit 'Het stoomwerktuig in zijne ontwikkeling en toepassing' - 1853

Klik op de miniatuur als u de foto wilt vergroten, klik op de knop 'Vorige' in uw webbrowser als u wilt terugkeren naar deze pagina.
Vuurmachine  

Deze vuurmachines werden gebruikt om mijnen droog te houden waar steenkool en erts gewonnen werd. Zij maakten gebruik van de luchtdruk in de atmosfeer en heten daarom ook wel atmosferische machines.

De eerste bruikbare vuurmachine van Thoman Newcomen ontstond in 1710. Jean Theophile Desaguliers, de secretaris van de Royal Society in London, maakte door lezingen en een boek veel propaganda voor de stoommachine. Hij hield ook in Nederland lezingen en zijn boek werd in het Nederlands vertaald door Professor W,J, 's Gravenzande van de universiteit van Leiden.2

Het is merkwaardig te bedenken dat Desaguliers waarschijnlijk ook de stichter van de vrijmetselarij was en ook in Nederland een loge stichtte.

Aan het eind van de achttiende eeuw waren er verschillende constructeurs die verbeterde vuurmachines maakten; de bekendste is James Watt. Hun verbeteringen leidden tot een sterk toegenomen rendement van het brandstofgebruik en door gebruik te maken van een soort kamwielmechaniek of een krukas-as kon een heen-en-weergaande beweging worden omgezet in een draaiende beweging.

  Een balans stoommachine van James Watt.
Tekening uit 'Het stoomwerktuig in zijne ontwikkeling en toepassing' - 1853

Klik op de miniatuur als u de foto wilt vergroten, klik op de knop 'Vorige' in uw webbrowser als u wilt terugkeren naar deze pagina.
Balans stoommachine  

De eerste toepassing van een vuurmachine voor de aandrijving van werktuigen was het oppompen van water naar molenvijvers van watermolens zodat die ten alle tijden over voldoende water konden beschikken om de waterwielen aan te drijven.

Toen de stoommachine betrouwbaarder was en regelmatiger liep kon deze zelf de centrale as van een fabriek aan drijven. Er was in Engeland aan het eind van de achttiende eeuw een uitgebreide textielindustrie ontstaan met behulp van waterkracht.

Over het gebruik van water rezen steeds meer disputen. Er was een belangentegenstelling tussen watermolenaars en schippers. Er was water nodig voor bevloeiing van akkers, er was drinkwater nodig voor de snel groeiende steden en bovendien was er water nodig voor de industrie.

Stoomkracht bood fabrikanten een uitweg uit dit dilemma. Bovendien werd de vestigingsplaats van fabrieken niet meer afhankelijk van snelstromend water. De vestigingsplaats werd nu bepaald door het beschikbaar zijn van steenkool, goede aan en afvoerwegen, de nabijheid van een markt of een haven voor de aanvoer van grondstoffen en de afvoer van industrieproducten. Ook in Engeland heeft het een halve eeuw geduurd voor de meerderheid van de textielfabrieken van stoomkracht was voorzien. Tot ver in de negentiende eeuw ging ook de ontwikkeling van de watermolentechniek voor fabrieksaandrijving door.

Van fabrieken werd al gesproken vóór de invoering van de stoomkracht. Fabrieken waren werkplaatsen waar de watermolen de centrale krachtbron was voor spin- en weefmachines.

Vroege toepassingen van de stoommachine vonden vooral plaats in hoogovens voor het aandrijven van blaasbalgen en in mijnen voor het aandrijven van hijsmachines.

De stoommachine van James Watt werd door Robert Fulton gebruikt om een boot voort te stuwen. De cilinder dreef via een krukas twee waterwielen aan. Deze methode was vanaf 1807 een groot succes. De scheepsstoommachine werd steeds verder ontwikkeld. Maar tot het einde van de negentiende eeuw werden er nog steeds nieuwe zeegaande zeilschepen gebouwd, vooral ook in Schotland en Engeland. Deze schepen waren voor de verre vaart zoals op Australië voor emigranten- en wolvervoer en China voor het halen van thee.
Op deze lange afstanden was stoomvoortstuwing niet rendabel omdat te veel laadvermogen werd opgesoupeerd door de steenkolenvoorraad. De keuze om geen stoomvoortstuwing te gebruiken was op rationele overwegingen gebaseerd en de zeilvaart en de stoomvaart hadden hun eigen toepassingsgebied.

De introductie van de stoommachine in de Zaanstreek

Met deze achtergrondkennis wil ik naar de Nederlandse en Zaanse ontwikkeling op het gebied van stoomkracht kijken.3
De eerste "vuurmachine", zoals de oudste stoommachines werden genoemd, werd in 1774 geplaatst door het "Bataafs Genootschap Der Proefondervindelijke Wijsbegeerte". Dit was een atmosferische machine ontworpen door Steven Hoogendijk.4
De machine stond in een oude kruittoren en diende om het water uit de Rotterdamse grachten over te pompen naar de Schielandse boezem. Een tweede, kleinere machine, van Nederlands fabrikaat, werd in 1781 in gebruik genomen op de buitenplaats Groenendael van Jan Hope te Heemstede.5
In 1785 bestelde het Bataafs Genootschap een 22 pk stoommachine bij Boulton en Watt. Er was sprake van een "equal beam chain type". Deze machine werd gebruikt om de polders Blijdorp en Cool te bemalen. Op 14 en 15 april 1789 vond de officiële beproeving plaats. Deze machine heeft voornamelijk voor demonstratie doeleinden dienst gedaan.6

In 1797 werd de eerste "vuurmachine" bij een nijverheidsinstelling in gebruik genomen. In februari 1797 bestelde de Rotterdamse brander Boon via J.D. Huichelbos van Liender bij Boulton en Watt een 4 pk "beam crank engine".

Een belangrijk project was de aanleg van een droogdok in de nieuwe marinehaven van Hellevoetsluis, waarvoor Jan Blanken de stoompomp ontwierp. In de zomer van 1801, midden in de Franse Tijd, werd door de firma Boulton & Watt deze stoommachine geleverd. Dit droogdok was een groot succes en in 1813 werd in Den Helder een zelfde soort droogdok begonnen. Deze keer kwam de stoommachine uit Luik.7
Er kwamen geleidelijk ook iets meer stoommachines in fabrieken en werkplaatsen. In juli 1807 werd via Huichelbos van Liender een "beam crank engine" van 14 pk geleverd aan de koperpletterij H. de Heus in Amsterdam. In 1815 leverde Boulton en Watt een "independent type" stoommachine van 10 pk aan Wm. Zoon in Leiden.

Door de Franse overheersing had Nederland een ernstige financiële en technische achterstand opgelopen. De Zaankanters hebben waarschijnlijk voor het eerst met stoom te maken gekregen toen in 1816 het Engelse ss Defiance het Y opstoomde. De volgende kennismaking was in 1825 toen door een overstromingsramp van de Zuiderzee de Wijde Wormer onder water kwam te staan. Deze polder is toen door drie verplaatsbare stoompompen droog gepompt. Vanaf 1827 werd er tussen Amsterdam en Zaandam een stoombootdienst onderhouden door het ss Mercurius.

Toen het ss Defiance in 1816 voor het eerst het Y opvoer, was de Zaanstreek nog molengebied bij uitstek. Onderstaande grafiek geeft een goed inzicht in de verdeling over de diverse bedrijfstakken.

Grafiek
Deze grafiek geeft een inzicht in de verdeling naar het aantal molens dat werkte in de verschillende takken van industrie rond 1816.

Een grafiek naar het aantal werknemers zou er geheel anders uit zien. In de 106 oliemolens werkte 323 arbeiders, in de 102 houtzaagmolens werkte 277 arbeiders en in de 27 wit-, grauw-, blauw- en basterdpapiermolens werkte 915 arbeiders.
In Assendelft was een zeildoekfabrikant met 100 arbeiders en in Krommenie waren drie zeildoekfabrikanten met 525 arbeiders. De papiermolens en zeildoekfabrikanten behoorden tot de grootste werkgevers van Noord Holland.

De eerste stoomfabriek in de Zaanstreek was de blauwselfabriek van Avis in Westzaan in 1833.

Een kwart eeuw later was er al veel veranderd:

Vier jaar na deze telling, in 1847, waren er in heel Nederland 249 stoomfabrieken; daarvan stonden er drie in de Zaanstreek.

Vijftien jaar later is het beeld verder gewijzigd:

Deze cijfers zeggen iets over het aantal molens dat in bedrijf was. Er blijkt uit dat de in de olieslagerij, de houtzagerij en pellerij de windmolen zich goed staande had kunnen houden. In de papiermakerij had de windmolen het pleit verloren.

Amsterdam en Haarlem hadden inmiddels grote bedrijven binnen hun grenzen. Na de Belgische afscheiding waren er grote textielbedrijven uit het zuiden naar Haarlem gelokt.

In Amsterdam was er de grote machinefabriek van Paul van Vlissingen en Dudok van Heel. Deze bedrijven hadden geprofiteerd van de nijverheidspolitiek van Koning Willem I. Verder waren er in Amsterdam stoomrijstpellerijen en diamantslijperijen die tot de grote bedrijven gerekend konden worden.

Velen zagen in de negentiende eeuw stoom als het symbool van de vooruitgang:

"De doeleinden waartoe de stoommachine aangewend wordt, zijn talrijk en verscheiden. Uit de diepten, zonder haar ontoegankelijk, haalt zij de metalen, waaruit andere machines vervaardigd zullen worden en de kolen die haar in werking moeten brengen. Door hare hulp wordt het ijzer gerold, geplet, gesmeed, en tot werktuigen gevormd, welke zij wederom in beweging brengt, en alles wat tot onze kleding behoort, doet spinnen en weven, van de fijnste draad af tot het digt geweven wollen kleed. Zij heft lasten op, trekt, boort, drilt, plet, zaagt, en wordt bij elke werktuigelijke handeling met eene naauwkeurigheid aangewend, die door geen handenarbeid verkregen kan worden. Door hare kracht worden wij over land en over zee met eene snelheid vervoerd, waarvan met vroeger geen denkbeeld had, en zulks in spijt van stroom en wind. Ja, de vraag schijnt niet langer te zijn, wat kan de stoom doen, maar wel, wat blijft er voor den stoom overig te doen"

Aldus in 1853 De Maandbode op het gebied der Christelijke Beschaving.8

  In de negentiende eeuw verschenen veel traktaten die de zegeningen van de stoom bezongen.
Klik op de miniatuur als u de foto wilt vergroten, klik op de knop 'Vorige' in uw webbrowser als u wilt terugkeren naar deze pagina.
Maandbode  

In de jaren zeventig en tachtig van de twintigste eeuw debatteren historici over de vraag, waarom er in Nederland in de negentiende eeuw, later dan in de omringende landen een moderne industrie ontstond. Men meende toen in de industrialisatie in de negentiende eeuw een model te zien voor de ontwikkelingslanden.9
De introductie van stoomaandrijving geldt als een belangrijke indicator voor vernieuwing.

  Meelfabriek De Vlijt  
  Meelfabriek 'De Vlijt' van Wessanen & Laan rond 1870. Dit is de oudst bekende afbeelding van deze stoomfabriek.
Foto: Collectie A.F. Neuhaus
 

Deel 2 Naar deel 2

Noten deel 1:

1 Een goede inleiding over de geschiedenis van de stoommachine is te vinden in: Van der Pols K, J.A. Verbruggen "Stoombemaling in Nederland 1770-1870" (Delft, 1996)

2 Van der Pols K, J.A. Verbruggen "Stoombemaling in Nederland 1770-1870" (Delft, 1996) 20-23

3 Dit artikel is gebaseerd op enige artikelen die ik eerder over dit onderwerp heb geschreven:

4 "Tweehonderd jaar bevordering van de proefondervindelijke Wetenschappen 1769-1969, z.p. z.j. 41-51, 140-142

5 F. Muller, "De eerste stoommachines van ons land", in 'De Ingenieur', (1937, no. 41), w.103-w.114

6 Een dossier "De oudste stoomketel van Nederland" van wijlen Ir. J.B. Giljam bevat een brief van de firma Tangys te Birmingham aan de directeur van het Nederlands spoorwegmuseum. De brief is van 6 januari 1933 en zij heeft als bijlage een lijst die is opgesteld door de Chief Librarian of the Birmingham Public Libraries. De lijst bevat alle stoommachines die Boulton en Watt tot 1827 aan de Noordelijke Nederlanden hebben geleverd. Deze lijst is samengesteld met behulp van "The Catalogue of old engines" van het Boulton & Watt museum. Het dossier berust momenteel bij de auteur.

7 Van der Pols K, J.A. Verbruggen "Stoombemaling in Nederland 1770-1870" (Delft, 1996) 54-63

8 "Het Stoomwerktuig in zijne ontwikkeling en toepassing beschreven" aflevering XVI van de Maanbode op het gebied der Christelijke Beschaving (Amsterdam, 1853)

9 Griffiths, R.Th. "Ambacht en Nijverheid in de Noordelijke Nederlanden 1770-1844", in Algemene Geschiedenis der Nederlanden 10, (Haarlem 1981) 247-252

Door: Jur Kingma Valid HTML 4.01 Transitional