MBTZ Logo

Anekdotes

Met Stoom Nr. 11 - November 1992

Motor storing

Regelmatig kwamen er ook schepen van de andere vestigingen bij de fabriek te Wormer, maar deze konden door hun grootte niet door de Bartelssluis. Op n van die schepen was de kapitein een zr godvruchtig man, die al zijn gesprekken met bijbelteksten doorspekte. Op een keer kwam hij weer in Wormer, maar kreeg zijn motor bij vertrek niet meer aan de gang. J. Lagrand, specialist op het gebied van scheepsmotoren, moest de motor weer aan de praat zien te krijgen.

Eerst werd er koffie gedronken en Lagrand, niet vies van een pittige discussie, kwam over het geloof in conflict met de godvruchtige kapitein, die dit natuurlijk had aangekaart. Lagrand wond zich erg op toen de kapitein opmerkte dat als de Heer het niet wilde, de motor niet zou gaan lopen. Lagrand sprong op en riep rood aangelopen: Als IK het wil, loopt die motor. Hij ging met een rood hoofd naar de machinekamer, vond het euvel en startte zonder mankeren de motor! De kapitein had er deze keer geen verklaring voor.

De stofcontroleur en z'n fiets

In de fabriek bestond de functie van "stofcontroleur". Deze moest ervoor zorgen dat de voorraadkuipen van de papiermachine voldoende gevuld bleven. Ook bij het op een andere kleur of kwaliteit overgaan, diende hij ervoor te waken dat er geen vermenging optrad door het te vroeg pompen naar de machines vr alles goed was doorgespoeld.

En van hen, Hendrik Molenaar, had tot taak de toevoer van de malerijkuip naar de voorraadkuip van PM 4 te controleren. Dat was een grote afstand, namelijk ter hoogte van de watertoren tot bijna bij de villa van de heer Buter (de "Witte Villa") en dit eind moest soms rennend worden afgelegd, vooral als het spande met bergruimte voor de papierstof.

In deze tijd zou Molenaar achter een lessenaar met knoppen en meters zitten! Molenaar kwam op de gedachte zijn fiets voor dat doel te gebruiken en dat ging gesmeerd op die vlakke vloeren.
Het kantoor had ook een uitgang in de lange gang achter de "orkaan" en hieruit stapte op een keer nietsvermoedend de heer Allan de fabriek in. Tot beider schrik kwam het bijna tot een botsing, waardoor de pret voor Molenaar voorbij was en hij maar weer hollend achter zijn papierstof aan moest.

Pietje Vanzelf

Bij de papierfabriek was een schilderswerkplaats waarvan het personeel alle voorkomende schilderswerkzaamheden uitvoerde. Een van de schilders, een al wat oudere man die tegen zijn pensioen aanliep was Piet Sinkeldam, bijgenaamd "Pietje Vanzelf" naar het door hem te pas en te onpas gebruikte stopwoordje.
Op een dag was hij in de oude smederij de stoomleidingen met aluminiumverf aan het schilderen. Daarbij hing hij zijn verfpot met een haak aan een stoomleiding. Zo kwam hij uiteindelijk bij de deur van het smederijkantoor en hij hing zonder erbij na te denken zijn pot voor de deur.

Jan Groot, de lasser, moest iets vragen in het kantoortje en opende met een tekening in zijn hand de deur. De deur stootte tegen de haak, de verfpot viel, bleef omgekeerd op het hoofd van Groot staan en liep leeg. Sinkeldam kwam onthutst van zijn ladder en wist niets beters te zeggen dan: Het ging vanzelf!

Het resultaat was, na verbijstering bij de toegesnelde collega's, een tot huilens toe bulderende en lachende drom mensen. Wat was het geval: Groot had iets krullend haar en dit was met zijn hele hoofd, zilverkleurig geworden en leek op het haar van Koningin Wilhelmina op de guldens en knaken van zilver. Een bijnaam had hij al, anders had hij er een voor het leven opgedaan. Onnodig te zeggen, dat Groot zich moest ontkleden en zeer voorzichtig door Jan Rezee met peut en warm water met zeep van de aluminiumverf moest worden ontdaan.

Een rokende papiermaker

Roken was ten strengste verboden, zelfs in de smederij met al dat vuur. Een papiermaker van PM 10 stond toch eens te roken bij het hekje en zag tot zijn schrik de heer Allan aankomen, die het blijkbaar al had gezien. De "schuldige" hield de brandende sigaret in zijn hand in de zak van zijn overall. De heer Allan, op een grap uit, hield hem net zolang aan de praat tot er rook uit zijn zak kwam. Je staat in brand en hij liep lachend weg, de papiermaker met schaamte en een brandplekje op zijn hand achterlatend.

Het schaftlokaal onder de ronsel

Hier en daar in de fabriek waren summier van banken voorziene schaftlokalen, zo ook onder de "ronsel" bij de losserij, waar "Ort" Groen zijn kantoor had; een wenteltrap leidde er naartoe. In dat schaftlokaal hield men zich vaak schuil als het slecht weer was. Er werd zwaar gerookt, maar dit was ten strengste verboden. Nu was een streek van jonge jongens om de mensen aan het schrikken te maken, door naar binnen te stormen en te roepen: Daar komt Buter! Het resultaat was dat het lokaal in een ogenblik leegstroomde, want wat was men bevreesd voor Jr. Buter! De plager hoefde zich voorlopig niet meer te laten zien in de buurt van de losserij, want dan werd hij door sommigen die over zeer harde knuisten beschikten, onder handen genomen. Meestal roffelden ze met de harde knokkels van hun vingers over de oren van de plager, die er een paar rode oortjes aan overhield.

Geld voor een rokertje

Op de loonafdeling werden de loonbriefjes wekelijks met de hand geschreven, overwerk en premie werden apart vermeld. Dit briefje werd dan tezamen met het gepaste geld in een doorzichtige envelop (vetdicht papier van eigen fabrikaat) gestopt en dicht geplakt.

Een kleine man die zeer onder de plak van zijn grote vrouw zat, kwam eens zenuwachtig op de loonafdeling en toonde zijn loonstrookje. De kantoorbediende, denkend dat er iets niet in orde was kon niets ontdekken maar toen kwam de aap uit de mouw. Hij wilde dat de bedragen voor premies en overwerk in hetzelfde handschrift lager ingevuld werden, opdat hij zonder dat zijn vrouw erachter zou komen, extra geld voor een rokertje had! Dat ging natuurlijk niet door en hij droop af zonder extraatje, terwijl hij de envelop nog wel zo onzichtbaar had opengemaakt.

  De oude malerij  
  Hoog bezoek in de oude malerij met de maalbakken en de "Hollanders".  

Een blaar op de tong

Bart Zaal, de papiermaker van PM 10, hield erg van het uithalen van grappen en wist met een stalen gezicht de slachtoffers ervan te laten meewerken. Toen in het begin van de 50-er jaren reeds personeel uit het Noorden werd aangetrokken, waarvan velen alleen buitenwerk hadden gedaan, vond hij er n rijp voor een grap.

Bij PM 10 druppelde het nogal eens van het plafond en Zaal demonstreerde aan zijn slachtoffer hoe hij een druppel met zijn tong opving. Nu, dat kon deze ook en Zaal trok hem een stap opzij om een druppel op te vangen, maar dat was er een van de hete stoomleiding. Het lukte de man inderdaad, maar daarna moest Zaal de hele fabriek rondrennen om aan de wraak van zijn slachtoffer, met een blaar op zijn tong, te ontkomen!

Een kleurspoeling

In de malerij voegde men in de hollanders sterke kleurstoffen aan de papierstof toe, die men in een emmer water oploste. Men beschikte toen nog niet over warmtewisselaars, maar stak een open stoompijp in een emmer water, dat zo in korte tijd kookte.
Op een keer - ja, alles kon bij VGZ - was iemand met een emmer warm water zijn haar aan het wassen. Douches waren er nog niet, dus werd VGZ weer eens een "lage inschrijver", zoals in zoveel gevallen.
Terwijl de man bezig was strooide een grapjas rode verfstof in die emmer, waardoor hij op slag vuurrood haar kreeg! Het leek op de rode pruik van een clown. Men lag dubbel van het lachen. Het slachtoffer wist niet wie hem dat had aangedaan en heeft heel wat moeite moeten doen om zijn haar weer in zijn eigen kleur te krijgen.

Schop van het voetje

Sommigen waren door onkunde wel eens het slachtoffer van grappen. Zo werd op een keer een opperman uit het "kalkhok", dus de metselafdeling, door een metselaar naar het magazijn gestuurd om een "schop van het voetje" te halen; het magazijn was nogal uitgebreid, met vele schappen. Hij toog naar het magazijn, vroeg erom en kreeg prompt van de reeds ingelichte magazijnmeester een schop tegen zijn achterste!
Doe niet zo kinderachtig, zei hij en wendde zich tot een ander, die ook meteen hetzelfde deed. Morrend ging hij terug en bij iedere gang tussen de schappen doemde iemand op, die hem weer te grazen nam! Terug in het "kalkhok" werd hij bulderend ontvangen en zei hij: Kinderachtige lui daar, ze wilden me niet helpen en ik kreeg van allemaal een schop tegen mijn kont! Sindsdien was zijn bijnaam "schop van het voetje".

Wachten op de fluit

Door de grote oppervlakte van het fabriekscomplex hadden velen aan het einde van de werktijd in de dagdienst er al een "flinke wandeling" op zitten. De uitgang met de portier was aan het Zaandammerpad in het midden van het complex. Dit was sommigen wat al te ver, vooral in de middagpauze die anderhalf uur was (later vijf kwartier), een tijd die zij kennelijk nodig hadden. Zodoende zag men tegen twaalf uur allerlei schuilplaatsen zich vullen met mensen die op de fluit wachtten.

Een reprimande

Onder de oude turbinezaal waren in de zware muren nissen uitgespaard, die donker waren en een uitstekende schuilplaats boden. Gedurende de tweede wereldoorlog was die ruimte beveiligd met zandzakken en aangewezen om er te schuilen, maar later had hij dus een ander doel. Het was de heer Buter een doorn in het oog en deze liet zich dan ook in die omgeving nogal eens zien op die tijd. Dit had dan een grote vlucht tot gevolg, wat een vermakelijk gezicht was voor de smeden, die dit alles vanuit hun omkleedplaats goed konden zien.
Als de heer Buter er eentje pakte, kreeg die op niet mis te verstane wijze een reprimande en moest zich verwijderen in de richting waar hij gewoonlijk werkte. Maar "dat gezapige Wormer volkje", zoals Buter dat placht te noemen, volhardde toch in zijn gewoonte.

Een Griekse god op de Acropolis

Op PM 4 werd altijd zeer sterk papier gemaakt, waaruit men cementzakken maakte. Als oud papier was dit niet erg aantrekkelijk, vanwege de versteende cementresten als de zakken nat waren geworden. Van deze resten ontdaan, zou er waardevol en met weinig energie te vermalen papier overblijven, dat goed bruikbaar was.

Er werd dus een tweedehands klop- en reinigingsinstallatie aangeschaft. Deze bestond uit een hamermolen met grove zeef, die het papier aan grote snippers sloeg, waar ontzettend veel stof bij vrijkwam. De afzuiginstallatie kon dit bijna niet verwerken, waardoor in het gebouw een mist van cementstof hing. Dit gaf een fris en kriebelend gevoel in je longen.

Papiersnippers en stof werden in cycloons met verschillende diameter van elkaar gescheiden en via een slangensysteem met filters en klopinrichting moest de gezuiverde lucht weer in het gebouw terugkomen. De slangen waren echter lek en door statische elektriciteit ging de cementstof overal aan kleven.

Een van de mensen die daar werkten was Van der Pal sr. en deze zag er door zweet en cement op zijn gezicht uit als het beeld van een Griekse god op de Acropolis, maar dan met scheuren op die plaatsen in zijn huid waar de korst was gebarsten. De door het bedrijf verstrekte fles melk zal vast niet veel effect gehad hebben; ook smederijpersoneel dat daar aan de slag moest kreeg melk. De installatie was geen succes en ook geen lang leven beschoren.

  VGZ gepenioneerden  
  Het uitgaansdagje V.G.Z.
In deze groep gepensioneerde zijn diverse werknemers die de anekdotes meemaakten.