Burgemeesterswoning in Krommenie opnieuw gerestaureerd

In de zomer van 2004 wordt de voormalige burgemeesterswoning aan de Zuiderhoofdstraat in Krommenie gerestaureerd. In opdracht van de Zaanse woningcorporatie ZVH zullen de specialisten van bouwbedrijf Somass uit Wormer het interieur weer zoveel mogelijk terug brengen in de oorspronkelijke staat.
Hieronder volgt een verslag van deze restauratie.

Door Cees Kingma - Augustus 2004

De historie van het pand

De burgemeesterswoning in Krommenie In het midden van de negentiende eeuw bouwde de ondernemer Gerrit van Leijden Jansz. een, voor die tijd riante woning in de buurt van z'n bedrijvigheid. De economie zat echter al jaren in het slop. Rond 1850 leefde een groot deel van de bevolking op de grens van of zelfs onder het bestaansminimum. Armoede was troef. Geld voor luxe dingen was er bij de meeste mensen gewoonweg niet. Zeker de bedrijfstak “zeildoekweverij” waar de familie van Leijden werkzaam in was, ging een onzekere toekomst tegemoet. Stoomvaart verving de zeilvaart en molens werden vervangen door stoommachines. Er was minder zeildoek nodig. Of deze omstandigheden hebben geleid tot de keuze voor een houten woning valt nu waarschijnlijk niet meer te achterhalen. Tenslotte is de Zaanstreek bekend om haar houtbouw traditie.
Nu weten we dat de industriŽle revolutie begon zo rond 1850, maar dat kan de familie van Leijden toen nog niet geweten hebben. Toch bouwde men, zoals uit onderstaande blijkt, verder aan de expansie van de onderneming. Hoewel thuiswevers nog tientallen jaren (tot na 1900) actief bleven, werd hun werk steeds meer door machines overgenomen. Waarschijnlijk zag Gerrit van Leijden Jansz. daar de toekomst van zijn onderneming.

In “Brieven aan KrommenieŽrs van een oud-Wormerveerder” wordt beschreven hoe de eerste transacties tot stand kwamen.
Op 10 juli 1851 hield notaris Dirk van der Wart een bespreking met Gerrit van Leijden Jansz., zeildoekfabrikant te Krommenie, over het gebruik van een straatje of voetpad, liggende op diens erf tot de gemeene weg, -ten behoeve van een perceel in eigendom van Grietje Seebach en Aafje Lakeman. Gerrit van Leijden verklaarde dit straatje tengevolge van bouwing te willen verleggen en te brengen aan de noordzijde van erf.. Hij verkreeg daartoe de toestemming.
Tot aan 1851 liep het Spinderspadje kaarsrecht en kwam uit naast de deur van het pand Zuiderhoofdstraat 70. Voor 1851 lag op de plaats van het pand van nu een bleekveld. Het destijds veel grotere erf, hoorde bij een huis dat stond benoorden de bocht in het Spinderspadje en dat op de bijgevoegde kaart is aangegeven met de namen S. Kooij en Trui Egge.

Detail uit de getekende kaart van C.N. de Jong uit 1880 waarop de omgeving van het Spinderspadje te zien is. In 1880 woonde notaris Walig in het pand.

Het perceel was een paar jaar eerder aangekocht door de vader van Gerrit van Leijden Jansz.;
Op 19 september 1846 verscheen voor notaris Dirk van der Wart: Mejufvrouwen Grietje Seebach, weduwe Jacob Lakeman Oosterhoorn, en Aafke Lakeman Oosterhoorn en verkochten aan Jan van Leijden, koopman te Krommenie, een huis met daarbij staande fabriek, (geapproprieerd tot zeildoekfabriek) benevens erve, staande op het z.g.n. Spinderspadje, mitsgaders weiland, van welk weilandje een deel aan de verkoopsters in eigendom zou blijven, dat deel waarop de kaats stond, welke kaats of schuur mede niet onder de verkoop begrepen was. De kaats zou als woning worden ingericht. Op de bijgevoegde kaart aangegeven als huis van Ant Stoel.

Ter illustratie van de positie van Gerrit van Leijden Jansz. als zeildoekfabrikant beschrijft “Van Canefas tot Coral - De geschiedenis van een KrommenieŽr familie onderneming” het volgende.

In het zakenarchief Kaars Sijpesteijn, dat is ondergebracht in het Gemeente-archief van Zaanstad, bevindt zich een met de hand geschreven copie van een overeenkomst, gesloten in 1851, waaruit zowel het aantal fabrikanten als het getal der weefgetouwen blijkt. De aanhef van deze overeenkomst luidt als volgt:
Verdeeling van Weefgetouwen der Gezamenlijke Zeildoekfabrikanten te Krommenie en te Amsterdam, ingevolge vroeger besluit, vastgesteld in hunne vergadering van den 18 November 1851. - No. 28 -

De ondergeteekenden Willem Kaars Sijpesteijn; ... e.a. , alle zeildoekfabriekanten, verklaren bij deze van in hunne vergadering van den 18 November 1851 overeengekomen te zijn, om de aan hun op grond van vroegere overeenkomsten in het algemeen eigendom toebehoorende weefgetouwen, bedragen thans vier honderd vier en dertig stuks, met onderling goedvinden te verdelen als volgt: etc.
Uit deze opgave blijkt dat Willem Kaars Sijpesteijn met 109 weefgetouwen (ruim 25%) verreweg de grootste van de 12 genoemde zeildoekondernemers was. Gerrit van Leijden Jansz. is met 20 weefgetouwen (4,6%) een van de kleinere ondernemers in dit overzicht. Opgemerkt dient te worden dat tenminste 80% van de Nederlandse zeildoekbehoefte werd gedekt door de leveranties uit deze KrommenieŽr pool. (Bron: Encyclopedie van de Zaanstreek)

In 1851 wordt deze "pool" opgeheven.

Gerrit van Leijden Jansz. heeft 22 jaar in dit huis gewoond. Op 4 april 1873 verkoopt hij het pand aan notaris Walig. In het voorjaar van 1898 verkocht de weduwe van Cornelis Walig, Cornelia Catharina Kuyper, huis en tuin aan zeildoekfabrikant Klaas de Jong Czn.. Na het overlijden van de Jong in 1904 trok z'n kleindochter Alida van Vliet en haar echtgenoot Matthijs Jan Teer in het huis. Teer was onderdirecteur van de N.V. Vereenigde Blikfabrieken in Krommenie. De N.V. Vereenigde Blikfabrieken wordt daarna ook de eigenaar van het pand.
In 1916 schenkt de N.V. Vereenigde Blikfabrieken de woning aan de gemeente Krommenie die het in gebruik neemt als ambtswoning voor de burgemeester. Achtereen volgens hebben de volgende burgemeesters in deze ambtswoning gewoond:

Op 31 december 1965 nam de firma A. Knijnenberg het pand over van de N.V. Vereenigde Blikfabrieken en vestigde er, na een ingrijpende modernisering, haar hoofdkantoor.

Op 14 mei 1968 is het pand als rijksmonument opgenomen in het register van beschermde monumenten.

De bouwtechnische beschrijving van het pand

Aan de hand van de beschrijvingen in “Gebouwd in de Zaanstreek door S. De Jong en J. Schipper” en gesprekken met Gť Sombroek, medefirmant van Somass restaurateurs heb ik volgende bouwtechnische beschrijving kunnen samenstellen:

Het pand heeft een afwijkende plattegrondvorm die bij Zaanse huizen gebruikelijk was. Het rechthoekige pand heeft een middengang met aan weerszijden daarvan vertrekken. De breedte van het pand is ruim 12Ĺ meter, de diepte is bijna 11Ĺ meter.
Woonhuizen met twee gebruikslagen waren in het begin van de 19e eeuw nog maar weinig gebouwd. Wel waren er al enkele stenen woonhuizen met een begane grond en een verdieping in de Zaanstreek gebouwd. Maar de typische Zaanse houtbouw was tot nu beperkt tot de woonhuizen met een begane grond en een ruime zolder. Dit pand is waarschijnlijk een van de eerste woonhuizen in de traditionele Zaanse houtbouw met een verdieping en daarboven nog een zolder. De hoogte tot de nok is bijna 10 meter.
De houtskeletstijlen rusten op de met spaarbogen gemetselde funderingsmuren. De gebintbalken voor de vloer en de verdiepingen rusten op deze doorgaande stijlen. In het begin van de 19e eeuw werd steeds meer afgezien van het toepassen van korbelen. De stijfheid van het huis werd bereikt door de buiten betimmering horizontaal (liggend rabat) en de binnen betimmering verticaal aan te brengen.
Het schilddak wordt gedragen door gebogen spanten, die zijn samengesteld uit tegen elkaar gespijkerde (rond gezaagde) schenkels. Men noemde deze Philibert-spanten (genoemd naar de Franse bouwmeester Philibert de l'Orme die leefde van 1512 tot 1570).

De opvallende kenmerken aan dit herenhuis zijn verder o.a. het flauw hellende schilddak, de geprofileerde vensteromlijstingen en in het midden van de voorgevel de dubbele deuren, omlijst met Corintische pilasters en voorzien van een snijraam.

De plattegrond van het huis is door verschillende renovaties en moderniseringen op sommige plaatsen gewijzigd. Zo zijn, tijdens de verbouwing tot hoofdkantoor voor de firma A. Knijnenberg, de twee (slaap)kamers op de eerste verdieping in een grote kantoorruimte veranderd. De oorspronkelijke hoofdindeling is echter nog goed zien.
Direct achter de voordeur bevindt zich de centrale gang waarop alle vertrekken en de spiltrap naar boven uitkomen. Ditzelfde patroon vinden we terug op de eerste verdieping, waar de spiltrap naar de zolder zich bevindt. De stijlen links en rechts van deze centrale gang zorgen voor de ondersteuning van lange vloerbalken van de verschillende verdiepingsvloeren. De stijfheid van de constructies is dus ook afhankelijk van de betimmering van de binnenwanden.
Lang is gedacht dat de binnenmuren waren opgemetseld. Tijdens de restauraties is echter gebleken dat de gemarmeriseerde houten binnenwanden in de gang zijn aangebracht tegen stijlen in de gang en niet, zoals tot nu toe verondersteld, tegen metselwerk.

Omstreeks het midden van de 18e eeuw werden in de Zaanstreek de eenvoudige afwerkingen van de topgevels ook steeds meer vervangen door uitbundige versieringen. In navolging van de Amsterdamse klokgevels werden de omlijstingen en bekroningen van de Zaanse klokgevels of pronkgevels en van de dakkapellen in variaties van de barok (Lodewijk XV en rococo) en van Lodewijk XVI en classicistische stijlen uitgevoerd. De strakke en eenvoudig gevel van het pand aan de Zuiderhoofdstraat kent echter een minimale versiering door een dakkapel met een rond raam. De voordeur is de blikvanger. Door z'n breedte suggereert deze deur een dubbele deur te zijn. De Corintische pilasters aan weerszijden van de deur versterken het imposante geheel.

Het pand en z'n tijdgenoten

In het midden van de 19e eeuw werd er ook in de Zaanstreek al volop in baksteen gebouwd. Er zijn nu nog vele fraaie voorbeelden van dit bouwen in nieuwe vormen en met nieuwe materialen. Een sprekend voorbeeld is de Doopsgezinde Vermaning aan de Zaanweg 57 in Wormerveer uit 1830. Maar niet alleen kerkbestuurders gaven opdracht tot het bouwen in de nieuwe materialen. In 1866 ontwierp architect L.J. Immink voor de familie Corver van Wessem de villa de Westzijde 39 in Zaandam. Openbaren gebouwen zoals recht- en raadhuizen, werden al veel langer van baksteen gebouwd. Maar in de loop van 18e eeuw had een aantal welgestelden in de Zaanstreek hun woonhuizen al geheel in baksteen laten optrekken.
De houtbouw was in de Zaanstreek in de eerste helft van de 19e eeuw nog belangrijk en gezichtsbepalend. In de Zaanstreek was het aantal timmerlieden ten opzichte van het aantal metselaars aanmerkelijk hoger. De uniformering van de houtmaten ging daarbij meer en meer een rol spelen. De machinale stoom-houtzagerijen zorgden voor gelijke plankbreedte van o.a. de rabatdelen voor de buitenbetimmering. Architecten kozen echter ook bewust voor hout in de constructie. Het station van MŁnchen uit 1849, architect Friedrich BŁrklein, had een perronkap met houten boogspanten, een zeer moderne constructie die vermoedelijk geen verband heeft gehouden met de rest van het station. De overkapping was uitgevoerd in gelijmde en gespijkerde houten boogspanten met een overspanning van 29 m en een nokhoogte van 20 m. De lengte van de overkapping was 111 m.

Andere technieken waren natuurlijk allang bekend zoals blijkt uit de ijzeren overkapping van de Amsterdamse werf 't Kromhout aan de Hoogte Kadijk (1867). De boogvormige spanten zijn consequent aan het verloop van de momentenlijn aangepast, hetgeen mede de oorzaak is van een zeer lichte constructie. En over grote constructies gesproken: het Christal Palace in Londen had toch aangetoond dat grote overspanningen in ijzer uit te voeren zijn.

Het is jammer dat we nog zo weinig weten waarom er in dit geval gekozen is voor houtbouw.

De beleving van het pand

Op linker foto wacht burgemeester Provily op een “tour met verrassingen”. Op de rechter foto heeft de scheidende burgervader met zijn familie plaats genomen op het (toen nog bloemloze) erepodium.
Foto's Historisch Genootschap Crommenie
De plaats die een monument inneemt bij de bevolking wordt mede bepaald door de mate waarin de burgers bij een dergelijk monument betrokken zijn. De meeste oudere inwoners van Krommenie bewaren mooie herinneringen aan het pand aan de Zuiderhoofdstraat. Het pand is in een zeer belangrijke tijd de ambtswoning geweest van een zeer geliefde burgemeester. Van 1947 tot 1969 woonde burgemeester J.C.A. Provily hier. Burgemeester Provily was de zoon van de Krommeniese muziekleraar A.C. Provily. Bij zijn installatie in augustus 1947 kreeg de gemeente dus een geboren KrommenieŽr als eerste burger. Burgemeester Provily heeft, samen met vele anderen binnen zijn gemeente, aan de wieg gestaan van de massale uitbreidingen van de gemeente Krommenie. De burgemeester nam op koninginnedag de aubade in ontvangst voor de burgemeesterswoning aan de Zuiderhoofdstraat.

Op 17 november 1973 bestond de firma A. Knijnenberg 100 jaar. Als geschenk voor hun relaties stelde de drukkerij Knijnenberg een map samen met voorbeelden van hun vakbekwaamheid. Daarin zaten o.a. herdrukken van eerder door de drukkerij uitgebrachte drukwerken zoals ansichten en reclamedrukwerk. Bovendien bevatte deze map een bouwplaat van het hoofdkantoor van Knijnenberg B.V. Het Historisch Genootschap Crommenie heeft in haar archief in Huize Barkeloo een gaaf exemplaar van een in elkaar gezette bouwplaat.

De restauratie

Gerrit van Assema, medefirmant in Somass restaurateurs en uitvoerend restaurateur leidt mij vol trots, op het hoogtepunt van de restauratie, rond in het pand. Uitgangspunt van de opdrachtgever is het terug restaureren van alle specifieke kenmerken van dit monument. Daarbij moet, in overleg met de monumenten commissie, de opdrachtgever en de restaurateur worden bepaald wat wel en wat niet in aanmerking komt voor het "terug restaureren". Over het algemeen stelt de monumenten commissie dat er niets wordt terug gerestaureerd wat er niet was.
Het pand heeft diverse bestemmingen gehad, variŽrend van woonhuis tot hoofdkantoor. Er zijn dus diverse verbouwingen geweest. De modernisering van firma Knijnenberg heeft veel sporen uit het verleden uitgewist. Zo werd de achtergevel veranderd van een levendige en versierde gevel met “kerkramen” en een balkon in een strakke gevel passend bij het strakke en rechte interieur.

“Tijdens de restauratie ontdek je altijd dingen die je er niet meer verwacht”, aldus Gerrit van Assema. Zo kwamen op de beneden verdieping de binnenluiken weer tevoorschijn. In de loop van de 18e eeuw verdwenen de buitenluiken naar binnen en werden ze in de kamerwand betimmering opgenomen. Bij de modernisering in 1970 werden deze luiken weggewerkt achter de strakke betimmeringen. Assema heeft ze echter weer in de volle glorie hersteld. Helaas ontbreken deze luiken op de eerste verdieping.

In de voorkamer op de bovenverdieping vond Assema nog de restanten van een bedstede. Wanneer de bedstede is verwijderd is niet meer te achterhalen, de deuren heeft Assema echter kunnen redden en heeft ze nu kunnen toepassen in kasten die in de kamer zijn gemaakt.
Uit de opgeplakte kranten op de jute bespanning kon Assema opmaken dat er in 1883 een verbouwing binnen het pand heeft plaatsgevonden. De restanten van het behang zullen worden gebruikt om het nieuwe behang te maken.

Doordat op zowel de begane grond als op de eerste verdieping kamers zijn samengevoegd, zijn er in het verleden schoorsteenmantels vervallen. Assema is het echter gelukt om in hetzelfde marmer als de overgebleven haardpartij nieuwe schouwen te maken.
Restaurateur Assema is trots op z'n “nieuwe” schouw.

Het meest in het oog springend aan het interieur zijn echter de stucwerk ornamenten aan de plafonds en langs de diverse stijlen. Voor de restauratie aan dit specifieke onderdeel is echter een specialist te hulp geroepen. Lee Carvey (van Lee Carvey Stukadoors) is restauratie stukadoor. Deze, van oorsprong Engelse, restaurateur heeft in geheel Europa z'n sporen verdiend.
Carvey vertelt over de unieke ornamenten die hij heeft aangetroffen in dit pand. Waar mogelijk maakt hij in siliconen een afdruk van nog bestaande ornamenten. Deze mallen worden gevuld met gips waardoor weer nieuwe ornamenten in de oude vormen ontstaan. Het z.g. “Brabants werk” wordt, waar nodig gerestaureerd voordat de nieuwe ornamenten weer op het plafond worden aangebracht. In het Brabants werk is riet tegen de zolder betengeling aangebracht. Op sommige plaatsen is dit echter zo doorgezakt dat direct aanbrengen van de ornamenten en een nieuwe stucwerk laag niet verantwoord was. Carvey restaureert dan eerst de betengeling en vervangt de rietlaag voordat hij de ornamenten aanbrengt.
Helaas kan niet meer worden aangetoond dat de kamer-en-suite op de begane grond ook een stucwerk plafond met ornamenten had. In overleg met de monumenten commissie is daarom besloten deze kamers van een strak stucwerk plafond te voorzien.

Op de stukadoor aan het werk ziet een reportage van deze werkzaamheden.

Volgens Assema wordt er in goed overleg met de opdrachtgever bepaald hoe en waar de ruimte wordt gevonden in het budget om de “positieve verrassingen” op te vangen. Uitgangspunt van de opdrachtgever blijft het gebouw, binnen het budget zo natuurlijk mogelijk te restaureren, waarbij de beroepstrots van de restaurateurs zoveel mogelijk eer wordt aangedaan. “Alle partijen zullen bij de oplevering trots zijn op de prestaties die geleverd zijn”, is de overtuiging van de Somass restaurateurs.

De opdrachtgever

De Zaanse woningcorporatie ZVH is de nieuwe eigenaar van het pand. In de loop van 2004 zal ZVH haar steunpunt voor Zaanstreek-noord hier vestigen.
In een gesprek met ir. Fred Sanders, directeur van ZVH, gaat hij in op de visie van de corporatie m.b.t. het restaureren en behouden van monumentale panden.

In de visie van ZVH staan o.a. de volgende zaken centraal:

De “burgemeesterswoning” heeft altijd een bijzondere plek ingenomen in de KrommenieŽr gemeenschap. Die plek krijgt het pand weer volgens dhr. Sanders van ZVH.
Foto Gemeente Archief Zaanstad
Sanders benadrukt dat ZVH, samen met een aantal partners het accent legt op een optimale woonbeleving van de klant. Dit woongenot dient onafhankelijk te zijn van de financiŽle reikwijdte van de bewoners. Het woongenot wordt, in de visie van ZVH, mede bepaald door de woonomgeving.
Iedere bewoner zoekt in zijn of haar wijk naar vaste ankerpunten. Deze ankerpunten zullen per bewoner kunnen verschillen; de een zal kiezen voor een kunstwerk en de ander voor een majestueuze boom of een bankje in het park. Als je echter per individu naar vijf van deze ankerpunten in hun wijk zal vragen is de kans erg groot dat een aanwezig monumentaal pand door alle bewoners zal worden genoemd. De meeste bewoners zullen een positief gevoel over hun wijk krijgen wanneer ze zien dat er zorg en aandacht wordt besteed aan dergelijke monumenten.
Verder legt Sanders uit dat het woongenot ook positief wordt beÔnvloed door de aanwezigheid van service verlenende instanties zoals thuiszorg. ZVH vestigt nu een steunpunt in Zaanstreek-noord en combineert hierin de, van ouds bekende services zoals woningverhuur en woningruil, met nieuwe services zoals die kunnen worden aangeboden door partners als Evean. Volgens Sanders positioneert ZVH zich met dit pand als leverancier van “leefbaarheid”.

Doordat het publiek nu weer toegang krijgt tot het pand hoopt Sanders dat het monumentale pand weer dezelfde plaats in de gemeenschap zal krijgen als in de tijd dat de burgemeester van Krommenie er nog woonde en veel manifestaties zich hier afspeelden.

Bron en inspiratie voor dit artikel