Gelezen in 2005

Vaderlandse geschiedenis is “in”. Het thema van de 70e boekenweek was: “Spiegel van de Lage landen. Boeken over de Nederlandse geschiedenis”. Iets eerder was er de ontwikkeling van de Canon van de Nederlandse geschiedenis, die is opgesteld door een commissie welke werd ingesteld door het ministerie van O.C.&W.
De geschiedenis van industrie en techniek hebben slechts een beperkte plaats gekregen in deze canon. Het beschrijven van een nationale canon is een ontwikkeling die in heel Europa speelt en die te maken heeft met het zoeken naar de eigen identiteit. In BelgiŽ is in het kader van de herdenking van 175 jaar Belgische onafhankelijkheid ook uitvoerig aandacht besteed aan de Nationale identiteit o.a in de tentoonstelling “Made in Belgium”. Een andere Europese ontwikkeling is het project “Plaatsen van herinnering”. Het gaat dan om plaatsen die voor een land tot symbool zijn geworden. De geschiedenis van bedrijf en techniek heeft hierin nauwelijks een plaats gekregen.
In Nederland speelt ook nog de discussie over de herinrichting van het Rijksmuseum te Amsterdam. Onduidelijk is hoe de geschiedenis van industrie en techniek daar ten toongesteld zullen worden. Er is nu wel een tijdelijk Rijksmuseum in de Abdij, Rijksmuseum aan de Maas en Rijksmuseum in Twente maar nog geen rijksmuseum in het stoomgemaal. In deze boekbespreking vestig ik de aandacht op een aantal facetten uit de geschiedenis van de techniek in Nederland en buurlanden die de belangrijke rol van bedrijf en techniek in de historische ontwikkeling van Nederland en zijn buurlanden laat zien.

Alkmaar, Stad en Regio

Alkmaar en omgeving in de Late Middeleeuwen en Vroegmoderne Tijd
Drewes J. e.a. - Hilversum, 2004
ISBN 90-6550-805-8

In “Alkmaar, Stad en Regio” komen nieuwe inzichten en aanvullingen voor op onze kennis van de ontwikkeling van de droogmakerijen en bedijkingen in Noord-Holland. Leo Noordegraaf pleit voor een onderzoeksprogramma op het terrein van financiŽn en economie van de waterstaat in het verleden. Aan de grote droogmakerijen Beemster, Schermer, Purmer ging in de eerste helft van de 16de eeuw de drooglegging van enige kleine meertjes rond Alkmaar vooraf. De drooglegging van de Berger- en Egmondermeer in 1564 leverde al 1200 hectare landbouwland. Het was geen rechtlijnige successtory. In Noord-Holland werden de binnenkruier Poldermolen, de molengang en de vijzelmolen ontwikkeld. Noordegraaf wijst er op dat de inpolderingen vooral werden verricht op basis van winstverwachtingen. Hierover is weinig onderzoek gedaan. Aan de hand van een “mini-historie” van de bedijking van de Wieringerwaard formuleert hij zijn onderzoeksthema's.

H. van Zwet beschrijft de ontwikkeling van het molenbestand van de Schermer. Er waren oorspronkelijk 52 poldermolens in de Schermer. In de jaren dertig van de 20e eeuw werden deze vervangen door stoomgemalen. Er is een langdurige strijd gevoerd voor het behoud van een aantal van de molens. Vanaf 1949 was er voldoende maatschappelijk draagvlak om de overgebleven 11 molens te behouden. In dit artikel wordt de eerste fase van de poldermolens beschreven; de selectie van het molentype en de locaties waar de molens zouden worden geplaatst. De bedijkers oriŽnteerden zich uitvoerig op de ervaringen bij andere droogmakerijen en vroegen advies aan vijf gerenommeerde molenmakers waaronder Jan Adriaan Leeghwater. Na studie kregen deze molenmakers de opdracht een bestek voor en binnenkruier op te stellen.
Voor het opstellen van een bemalingconcept kon men ook gebruik maken van metingen elders. Er werd gekozen voor een binnenboezem met groepen parallel geplaatste en samenwerkende molens langs de ringvaart. Dit gaf een grote flexibiliteit en die is in wezen gehandhaafd tot komst van stoombemaling. Na de droogmaking heeft men een aantal molens verplaatst om een optimalisatie van het polderpeil in verschillende delen van de Schermer te krijgen die uiteindelijk uit 14 polders bestond.

In een tweede artikel beschrijft van Zwet de achtkantige binnenkruier van de Schermer. Hij heeft een uitvoerig kostenoverzicht opgeteld waaruit blijkt dat molens van de Schermer ongeveer evenveel hebben gekost als molens van andere droogmakerijen zoals de Beemster.

Herman Kaptein en Pieter Schotman maken aannemelijk dat omstreeks 1600 Alkmaar de bakermat was van de Hollandse industriemolens. De Alkmaarse stedelijke nijverheid kende, net als die van andere steden meelmolens die ook mout konden breken voor brouwerijen en runmolens voor de leerlooierijen. Oliemolens waren ook niet onbekend in steden. Tussen 1582 en 1596 werden in Alkmaar verschillende industriemolens gebouwd die gebruikt maakten van een nieuwe bewerkingstechniek: stampwerk. Dat gebeurde met behulp van een nokkenas in de papiermolen, de hennepklopper en de verfhoutmolen. De kollergang werd behalve in de oliemolen ook gebruikt in de verfmolen en de trasmolen. In 1582 kreeg Lieven Jassz. Van Moerbeek toestemming een oliemolen op te richten en liet daartoe een molen uit Vlaanderen komen. Tot 1593 stonden de enige vier oliemolens in Holland in Alkmaar. In 1586 kreeg Jan Jacobsz du Bois toestemming tot het oprichten van een windpapiermolen. Er waren tot dat moment alleen getijdenpapiermolens. In 1591 werd een windhennepklopper opgericht en in 1595 een windvolmolen.

Uitvoerig maken de schrijvers melding van de activiteiten van Cornelis Cornelisz, die in 1593 het eerste patent op een zaagmolen kreeg. Hij bouwde in 1595 op het Zeglis een houtzaagmolen. De schrijvers onderzochten een groot aantal verklaringen waarom juist in Alkmaar zich de Hollandse industriemolen ontwikkelde. Hun belangrijkste conclusie is dat de molenbouw voor de vele droogmakerijen rond Alkmaar een proeftuin voor molentechniek creŽerde.

Mensen in een waard vol wind en water

De geschiedenis van de waterhuishouding in de Krimpenerwaard
G.P. van der Ven - Hilversum, 2004
ISBN 90-6550-837-6

Ook in andere delen van Holland en Vlaanderen waren er droogmakingprojecten. In de geschiedenis van de waterhuishouding in de Krimpenerwaard komen ook veel windmolens voor. Het is gebied waar de wipmolen tot ontwikkeling kwam. De auteurs gaan hier niet op in. Er zijn in het gebied nog een aantal wipmolens te bewonderen. In dit boek is de hoofdrol is weggelegd voor stoombemaling en andere vormen van mechanische bemaling.
Een van de eerste stoommachines in Nederland werd in 1804 geplaatst bij Ouderkerk aan de IJssel. Deze machine speelde een rol bij de vervening in het centrale deel van de Krimpenerwaard. De vervening werd een fiasco en werd in 1812 gestopt waarna de stoommachine als oud ijzer werd verkocht. In het museumgemaal de Hooge Boezem te Haastrecht staat een Crossley dieselmotor uit 1929 en verder een stoommachine en centrifugaal pompen.

Meeten, boren en besien

Turfwinning in de buitenrijnse ambachten van het Hoogheemraadschap van Rijnland 1680-1800
A.J.J. van 't Riet - Hilversum, 2005
ISBN 90-6550-883-x
Het verscheen eerder als proefschrift te Leiden

De relatie tussen waterhuishouding en de turfwinning in het Hoogheemraadschap Rijnland tussen 1680 en 1800 is van groot belang. De introductie van het slagturven in het eerste kwart van de 16de eeuw leidde tot een veel grotere opbrengst aan turf. Deze vorm van turfwinning met de baggerbeugel leidde tot grote veranderingen in het landschap. In 1680 reglementeerde het Hoogheemraadschap Rijnland deze vorm van turfwinning. Een van de zaken die werd geregeld was dat de vervening moest leiden tot een drooggemaakte polder.

De nieuwe Waterstaatsgeschiedenis

“De interactie tussen mens en natuur” in Historisch tijdschrift Holland red. D.Damsma, H.Looijensteijn Vol. 36 no.3
Petra J.E.M. van Dam - Haarlem, 2004
ISSN 0166-2511 128-141

In haar inleiding op het themanummer de Nieuwe Waterstaatsgeschiedenis van het Historisch Tijdschrift Holland merkt Petra J.E.M. van Dam op dat Waterstaatsgeschiedenis een groen randje heeft gekregen. Er is een complexe relatie gevonden tussen landaanwinning en landverlies. De activiteiten van de mens spelen daarin een grote rol door bedijking, turfwinning, landbouw, zoutwinning en baksteenproductie. Vooral de kennis van de effecten van de turfwinning is toegenomen.
Bedijkingen van op- en aanwassen en het zuiden van Holland waren lucratiever dan vele grootschalige droogmakerijen in Noord Holland. Petra van Dam schrijft dat de investering in landaanwinning niet alleen zuiver financiŽle winst beoogde maar ook bijdroeg aan het eigen aanzien. De prestigieuze boerderijen en buitenhuizen die in de grote droogmakerijen werden gebouwd vormen daarvan een blijvende getuigenis. Zij ziet de nieuwe waterstaatsgeschiedenis ook als een inspiratie voor landschapsinrichters.

Delven en Slepen

Steenkoolmijnbouw in Limburg: techniek, winning en markt gedurende de achttiende en negentiende eeuw
B. Gales - Hilversum, 2004
ISBN 90-6550-788-4

Van de turfwinning is het niet zo'n grote stap naar de steenkoolwinning. Ben Gales heeft voor ons de voorgeschiedenis van de Limburgse mijnbouw ontsloten. Hij spreekt van “een periode van gefnuikte ambities, terwijl de illusies waren gekoesterd door de fine fleur van de natie en niet een stelletje idioten”. Zijn analyse van de ontwikkeling van de mijnbouw in het gebied tussen Aken en Heerlen is ingebed in de geschiedenis van de aangrenzend mijnbouwgebieden in BelgiŽ en Duitsland. Hij wijst er op dat paardenkracht belangrijker was dan stoomkracht bij de ontwatering hoewel tijdgenoten een grotere symboolwaarde aan stoom toekenden.
Ik wil daarbij graag een kanttekening maken. In het mijnbouw gebied in Noordoost Engeland werd op grote schaal gebruik gemaakt van stoomkracht voor drainage en vervoer. Echter toen er na de Napoleontische oorlogen veel paarden op de markt kwamen zakte de belangstelling voor nieuwe ontwikkelingen met stoomkracht tijdelijk. Paarden zijn relatief dure arbeidskrachten. Mijnbouwondernemers wegen de kosten en baten van de verschillende vormen van aandrijving op rationele wijze tegen elkaar af. De auteur lijkt zich wat sterk op de negatieve symboolwaarde van paardenkracht te concentreren en wat minder op de relatief hoge kosten die deze vorm van aandrijfkracht kenmerkte. Op pagina 159 staat een mooie tekening van een rosmolen voor pompwerk in de Dominale mijn. Op grond van zijn studie kent de schrijver maar een beperkte betekenis toe aan de techniek bij het veranderen van een technische en institutionele omgeving. Ondanks deze conclusie is het een boeiend boek.

Peelwerkers en Veenbazen

Deel 1 van de serie “2000 jaar De Peel” in de reeks “Ach Lieve Tijd”
Uitgave Waanders in samenwerking met het Regionaal Historisch Centrum Eindhoven en het Brabants Historisch Informatie centrum - Zwolle, 2005
H. van de Laarschot

Van de steenkool terug naar de turfwinning. In een nieuwe reeks van “Ach Lieve Tijd” gewijd aan 2000 jaar De Peel verscheen het eerste deel over Peelwerkers en veenbazen. De kwaliteit van de afbeeldingen is opmerkelijk.

Totaler arbeidseinsatz fur kriegswirtschaft

Zwangarbeiter in der Deutschen Binnenschiffahrt 1940-1945
E. Schinkel - Essen, 2005
ISBN 3-89861-277-5

Omdat het thema van de week geschiedenis in het najaar van 2005 “Buren” was, wordt het mij gemakkelijk gemaakt om ook over boeken uit BelgiŽ en Duitsland te schrijven. In Ruhrgebied is veel aandacht voor industrieel erfgoed. Dat heeft geleid tot een steeds grotere stroom van publicaties. In toenemende mate is er nu ook aandacht voor de industriegeschiedenis van de Tweede Wereldoorlog. Eckhard Schinkel is redacteur van een boeiende bundel over dwangarbeid in Duitse binnenscheepvaart. Centraal staat de autobiografie van een Franse dwangarbeider. Op 1 mei 1944 bestond 30% van de bemanning van de Duitse binnenvaart uit buitenlanders; dus dwangarbeiders. Het boek geeft een boeiend beeld van de scheepvaart tussen het Ruhrgebied en de hoogovens in Salzgitter.

Aufbau West

Neubeginn zwischen Vertreibung und Wirtschafswunder
D. Kift - Essen, 2005
ISBN 3-89861-542-1

Dagmar Kift is redacteur van een boek dat uit kwam bij een tentoonstelling in Dortmund over de Duitse Wederopbouw in Nordrhein-Westfalen. Het boek gaat over de bijdrage die tien miljoen van huis en haar verdreven of gevluchte Duitsers hadden aan de wederopbouw van de Duitse industrie na de oorlog. De bijdrage kon zijn als werknemer of als ondernemer. Het boek en de tentoonstelling zijn opgebouwd rond de levensverhalen van 40 mensen.

Industriele Archelogie Belgie

Van Malderen L., L. Coirier - Brussel, 2002
ISBN 2-87386-283-1

In BelgiŽ verscheen een drietalig boek over de Belgische IndustriŽle archeologie. Het boek bevat een keuze uit 12000 foto's die Luc van Malderen in BelgiŽ maakte. Lise Coirier geeft in filosofisch getinte essay een plaatsbepaling van de moderne ruÔne en de rol van de fotografie in de beeldvorming rond de moderne ruÔne. Een imponerend boek.

Beverwijk en zijn industriŽle geschiedenis

Uitgave van het Historisch genootschap Midden-Kennemerland en het Museum Kennemerland
Castricum C. - Beverwijk, 2002
ISBN 90-804540-9-5

Er is bijna geen groter contrast denkbaar tussen “Industriele Archelogie Belgie” en het boek over de industriŽle geschiedenis van Beverwijk. Hoewel Beverwijk aan de zeezijde van het Noordzeekanaal ligt en door de grote industriŽle complexen van de Koninklijke Hoogovens en staalfabrieken en de Papierfabrieken van van Gelder Zonen werd omgeven, bleef de Beverwijkse industrie kleinschalig. Wie het boek door kijkt kan zich niet voorstellen hoe naast deze, nog sterk agrarische gemeente, zich grote industriŽle complexen ontwikkelden.

Schepen van de Gouden Eeuw

Daalder Remmelt, Elisabeth Spits red. - Amsterdam - Zutphen, 2005
ISBN 90-5730-373-6

In Nederland is de maritieme geschiedenis een belangrijk onderdeel van de geschiedenis van bedrijf en techniek. In de 17de eeuw waren de maritieme industrie en andere vormen van nijverheid nauw verweven. In de 17de eeuw zouden zo'n 40000 zeewaardige schepen zijn gebouwd.
Elk jaar geven de Vereniging Nederlandsch Historisch Scheepvaart Museum en de Stichting Nederlands Scheepvaartmuseum een jaarboek uit. In 2005 is dit gewijd aan de schepen van de Gouden Eeuw. Met name de scheepsarcheologie, maar ook de iconografie, heeft onze kennis van de maritieme techniek aanzienlijk verrijkt. Van Smakschip tot Samoreus en van Speeljacht tot Oost-IndiŽvaarder wordt door nieuwe kennis het traditionele beeld bijgesteld. Veertien scheepstypen worden behandeld. De schrijvers spreken van een parade van schepen. Er worden geen diepgaande conclusies getrokken.
De beeldverzorging maakt dit boek tot een lust voor het oog.

Cornelis Verolme

Opkomst en ondergang van een scheepsbouwer
Dekker A. - Amsterdam, 2005
ISBN 90-351-2865-6

Alle babyboomers kennen Cornelis Verolme. Het was een van de groten van de Naoorlogse bloeiperiode van de Nederlandse industrie die een soort komeetachtige Amerikaanse zakencarriŤre had. Zijn bedrijf ging ten onder in het RSV drama. AriŽtte Dekker heeft een prachtige biografie over hem geschreven. De schrijfster studeerde economie en heeft een aantal jaren bij Quote gewerkt.
Het boek geeft veel achtergrondinformatie over Verolme. Hoe hij als hoofdverkoper bij Stork al een zeer groot inkomen had. Hoe hij waarschijnlijk in de oorlog een of meer scheepsdiesels in de bossen van Twente verborg zodat ze na de oorlog met grote winst verkocht konden worden. Hij vergaarde zo zijn startkapitaal voor zijn installatiebedrijf Nederland te IJsselmonde. In de Rijnmond voerde hij een voortdurende strijd tegen de “heren” van de gevestigde stand; de directeuren van RDM, Wilton-Feijenoord etc. Naar de zin van de “heren” betaalde hij te hoge lonen zodat hun arbeiders bij Verolme gingen werken.
Cornelis Verolme was streng gereformeerd maar leidde vele jaren een dubbel leven met een telefoniste van Stork met wie hij na vele jaren in het huwelijk zou treden. Hij wist tegen de zin van de “heren” een werf in Alblasserdam te kopen waar hij zelf schepen kon bouwen. Al vroeg nam Verolme een voorlichter in dienst die zijn leven in beeld bracht als een echte captain of industry. Verolme was zijn tijd vaak vooruit wat betreft de technische en commerciŽle ontwikkeling. Het financiŽle beleid was nogal zwak zodat het bedrijf steeds te weinig spek op de botten had. Verolme creŽerde geen reserves maar herinvesteerde alle winst meteen. De scheepsbouw kent grote conjunctuurschommelingen zodat reserves en risicospreiding van groot belang zijn. Vaak stortte hij zich in onbezonnen avonturen zoals de werf in BraziliŽ en in Verosol een soort gemetalliseerde zonwering die pas na de dood van Verolme winst opleverde. De scheepsbouw in West Europa zou uiteindelijk de strijd tegen de Aziatische werven niet volhouden.

Zijn grote werf op Rozenburg was toonaangevend in Europa. De strijd om het superdok deed hem besluiten de NDSM over te nemen. Uiteindelijk brak het gebrek aan reserves hem op. En het was van de Brink, de president-directeur van ABN-AMRO die hem dwong tot de overdracht van zijn bedrijf aan de nieuwe RSV holding. De onthulling over de rol van de bank is nieuw. Het boek brengt ook de latere ontluistering in beeld. Verolme komt uit de biografie naar voren als een eigenzinnige man die in een conjuncturele groeiperiode alle kansen kon benutten met zijn brutaliteit maar die in latere periodes niet meer gecorrigeerd kon worden door de mensen om hem heen. Het boek is zeer lezenswaardig met tal van smakelijke anekdotes. De grote lijn van het boek is echter dat een belangrijk stuk naoorlogse industriegeschiedenis is gedocumenteerd. De werf op Rozenburg heet nu Verolme-Keppel. (Keppel is een scheepswerf uit Singapore).

De ouwe werf

Van Cornelis Smit tot Cornelis Verolme 1812-2005
Belder B. - Alblasserdam, 2005
ISBN 90-7646-250

Wie dit boek leest kan ook veel plezier beleven aan de geschiedenis van de werf in Alblasserdam. Een vuistdik boek met informatie over alle schepen die in bijna twee eeuwen op de werf in Albasserdam zijn gebouwd. Niet zo smeuÔg als de biografie maar een bijna encyclopedisch werk over twee eeuwen scheepsbouw. Op de plek van de werf is nu een nieuwe woonwijk.

Industrie-kultur 2005 no.3

ISSN 0949-3751

Het blad Industrie-kultur wijdde een thema aan cement en beton. Sven Bardua schrijft over de problematiek van het behoud van monumentale betonnen silo's en cement fabrieken. Het spreekt over cementfabrieken als prikkelende megasculpturen in het landschap. Verder een korte geschiedenis van de cementfirma Dyckerhoff, verhalen over betonnen mijnschachten en betonnen bruggen in Deutschland. Ook buiten Duitsland wordt gekeken met verhalen over een betonnen ertsbunker in Lotharingen, vroege voorbeelden van betonconstructies in Zwitserland en Oostenrijk.

Erfgoed van Industrie en techniek. Vol 14 no.3

Delft, 2005
Ook het blad Erfgoed van Industrie en Techniek had in 2005 een themanummer gewijd aan cement en beton. Adriaan Linters geeft een overzicht van de ontwikkeling van het gebruik van cement en beton in BelgiŽ. Sara Vermeulen geeft een schets van de geschiedenis van het ontwerp bureau van Francois Hennibique. Verder komen aan de orde de preflex-balk van Abraham Lipski en de naoorlogse uitbreidingen van de ENCI in Maastricht. Cement en beton hebben hun plaats gekregen in de IndustriŽle Archeologie.

Jur Kingma
21 januari 2006.